Kleine autobiografie

Ik ben geboren op 17 maart 1944, Saint Patricks day, in Meijel, een dorp aan de rand van de Peel op de grens van Brabant en Limburg. Het dorp behoort tot de provincie Limburg maar het dialect dat men er spreekt is eerder Brabants. Er bestaat zelfs een heus Mééls woordenboe:k, samengesteld door Herman Crompvoets, mijn vroegere buurjongen en gepromoveerd dialectlexicograaf. Je was er je van bewust dat je een andere taal sprak dan de Limburgers die je meestal in ABN toespraken als je in het Meijels begon. Zelf zou je het niet in je hoofd halen Limburgs te spreken, hetgeen ik goed gekund had omdat mijn moeder ‘Heljes kalde’. Inmiddels verliest het dorp zijn zelfstandigheid als gemeente. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad en tot in NRC Handelsblad was er belangstelling. Dat de eigen taal een belangrijke barriere was, werd daarbij niet opgemerkt. Van het dorp dat bij mijn geboorte bestond, heb ik weinig gezien omdat het in de loop van 1944 voor een groot deel verdwenen is als gevolg van de oorlog die er toen woedde. Het hele dorp werd geëvacueerd en op een boerenkar hobbelde ik met mijn ouders naar Nederwetten. De kerk waarin ik gedoopt ben, de neogotische kathedraal van de Peel, werd volledig verwoest en in mijn jonge jeugd liep ik dagelijks van huis naar school en terug langs de geleidelijk groeiende nieuwe kerk. Naar katholieke traditie heb ik vier doopnamen: Jacobus (naar mijn opa en naar Jacobus ‘de meerdere’, dat laatste heb ik altijd als vanzelfsprekend verondersteld), Antonius (naar mijn oma van vaders zijde), Petrus (naar mijn oom van moeders zijde), Joseph (omdat ik op 19 maart gedoopt ben). Ik was vanaf ongeveer 7 jaar misdienaar en zanger met hart en ziel en bewaar mooie herinneringen aan die eerste jaren. Aan de vieringen, vooral op grote feestdagen. Aan de prachtige processies die regelmatig door het dorp trokken, met name bij de kruisdagen wanneer we zingend door het land liepen en de litanie van alle heiligen klonk. Op het gebied van de religieuze ervaring heb ik een bescheiden record, maar als ik er iets in te brengen heb, heeft het te maken met deze processies (Koert van der Velde Religieuze belevenissen, Vangennep, 2007, p. 50). Ik zie me nog lopen en voel nog steeds hoe het voelde.

Dat het allemaal grote indruk maakte blijkt ook wel uit het feit dat ik er meerdere malen in publikaties en voordrachten naar verwezen heb. Hier een citaat:

Mijn finest hour als misdienaar heb ik meegemaakt rond 1953, in alle vroegte, bij het begin van het fietspad langs de kerkstraat in het peeldorp waar ik geboren ben. Ik zie het nog voor me: het bordje “fietsers oversteken” met een pijl naar links en dan van daaruit een schuine streep, ook naar links, over de weg. Het was de meest complexe verkeerssituatie in ons dorp. Alleen bij het jaarlijkse verkeersexamen werd die overtroffen en reden er treinen en trams en stonden er zelfs twee stoplichten. Op normale dagen heerste er een diepe en nevelige stilte, die alleen maar dan wel zeer penetrant doorbroken werd als de boeren ‘aan het gieren’ waren. Op die gedenkwaardige lenteochtend ademde alles stilte. Ik liep voor de pastoor uit op weg naar een zieke. We gingen ‘de communie brengen’ zoals dat heette. De misdienaar vervulde daarbij een belangrijke rol. Hij ging bij die gelegenheid in vol ornaat, getooid in toog en superplie, zijn linkerhand vroom op de borst en in zijn rechterhand een lantaarn. Veel licht leverde dat in de vroege ochtend niet op, maar te meer betekenend was het belletje dat de misdienaar, voor buitenstaanders onzichtbaar, met zijn middelvinger bediende. Het maande de voorbijgangers tot eerbied: de pastoor droeg Onze Lieve Heer onder de goudkleurige kap die hij om zijn schouders geslagen had en ook hij was getooid in toog en superplie. Er ging een plechtige stoet, die tegelijkertijd heel vertrouwd was.

Maar op die ochtend gebeurde er iets dat op dat moment al grote indruk op mij maakte, en meer nog naarmate ik ouder werd en de herinnering nostalgische vormen aannam. In de verte kwam een vrachtauto van FRANS MAAS aanrijden. Ik herkende die enorme trailers al van verre, lang voordat de kapitale letters op de zijkant zichtbaar werden, want ze denderden regelmatig door ons dorp en de chauffeurs waren voor vele van mijn klasgenootjes helden, working class heroes zo begreep ik vijftien jaar later. Als je zo’n gevaarte kon besturen, dan was je iemand. Worden als zo iemand, dat was het ultieme ideaal, en enkelen uit mijn klas hebben het ook gerealiseerd. De truck met oplegger naderde en minderde vaart. Merkwaardig. De auto stopte. Verbazing. De chauffeur stapte uit en knielde op de grond, op beide knieën. Ik wist niet wat ik zag. Zeker, mensen zetten de hoed af, bogen eerbiedig en beklopten daarbij hun borst, maar dat zo’n grote auto stopte en de heldhaftige bestuurder ervan uitstapte en letterlijk door de knieën ging, dat ging mijn verstand te boven. Welk een geheim droegen wij met ons mee. Wat waren wij belangrijk, de pastoor en ik. Wat was ik belangrijk. De hemel brak open, ik liep op de wolken. De pijl en de schuine streep over de weg vormden een staircase to heaven, met de geknielde chauffeur aan de top. Ik sluit niet uit dat de ‘roeping’ die ik enkele jaren later voelde opkomen, op die lenteochtend in 1953 langs de kerkstraat bij het begin van het fietspad gewekt is.

Wij leefden in een kleine wereld die niet veel verder reikte dan de grens van het dorp. Alleen de krant, dat wil zeggen de Maas- en Roerbode, en de radio, dat wil zeggen de KRO, gaven het besef van een wijdere context maar erg diepgaand was dat besef niet. We wisten wel dat het buiten het dorp niet overal pluis was en zelfs dat er twee dorpen verder enkele protestanten woonden. Ik herinner me nog de fietstocht, met kloppend hart, in een lange sprint en nauwelijks opkijkend langs de protestantse kerk van Helenaveen. Heel even kijken, maar dan weer snel terug naar huis. Dat de verdere wereld in die naoorlogse jaren langzaam in beroering kwam en dat die beroering tenslotte ook niet aan ons dorp voorbij zou gaan, beseften we niet. We dachten werkelijk dat het zo zou blijven als het was: ‘et nunc et semper et in secula seculorum’.”

Misdienaar zijn was een uitverkiezing die met name inhield dat je bij huwelijken en begrafenissen school mocht verzuimen. Bovendien kende je in tegenstelling tot je klasgenootjes hele stukken Latijn ‘uit de kop’. Dat was een geheime taal die wij ook niet begrepen maar dagelijks gebruikten. Een ijverige kapelaan probeerde daar iets aan te doen door ons latijnse les te geven en zo dreunden onder zijn hardhandige leiding, na schooltijd in de schoolbanken, letijnse vervoegingen op in de hoop eens te begrijpen wat zeiden. Het was een beklemmende ervaring die alle kenmerken had van een cultural schock. Ik kon niet slapen van het ongrijpelijke gegeven dat een woord (DOMINI) in het Nederlands drie woorden omvatte: AAN DE HEER. Ik kan nog navoelen hoe onbegrijpelijk ik dat vond en hoe ik daardoor in complete verwarring raakte. Toen mijn vader er achter kwam, nam hij contact op met de pastoor en enkele dagen later was het voorlopig afgelopen met de latijnse les. Toen ik op het gymnasium dan echt Latijn leerde, bleek het allemaal reuze mee te bevallen. (hier verhaal over bezoek koningin invoegen)

 

De kerk nam dus een belangrijke plaats in in mijn jonge leven en dat ik koos voor een seminarieopleiding mag nauwelijks verbazen. Toch is het een merkwaardi9g verhaal. Ik was voorbestemd voor de MULO om later onderwijzer te worden, en te bereiken wat mijn vader had willen bereiken. Op een dag ging ik, zoals regelmatig, voor mijn vader die een textielwinkel had, naar het postkantoor. Bij de ‘bezinepomp’, pas honderd meter verder, ontmoette ik een klasgenoot, Piet Lansbergen. Het ging als spoedig over de vraag ‘wat ga je doen?’. Hij ging leren voor banketbakker en verbaasde zich over het feit dat ik niet naar het seminarie ging en me niet had aangemeld toen de Lazaristenpater Raf Gijzen een wervend verhaal gehouden had voor het front van de klas. Ik liet me ter plekke overtuigen en deelde mijn vader een paar dagen later plompverloren mee dat ik ‘roeping’ had. Het verhaal achter het verhaal, de roeping achter de roeping, verzweeg ik zorgvuldig. Ik weet nog waar ik het mijn vader vertelde (van oma op weg naar huis, bij de Juliana boom) en ik herinner me nog dat ik het Piet met trots meedeelde bij de enige friteskraam die het dorp rijk was: “ik heb het gezegd”. De daad werd spoedig bij het woord gevoegd en zo verdween ik september 1956 naar het seminarie Wernhoutsburg. Ik heb Piet nooit meer gezien of gesproken. Hij overleed plotseling in 2003. Ik wist wel dat hij als banketbakker gestopt was vanwege eczeem aan zijn handen. Hij ging toen maar studeren bleek dat te kunnen! Hij werd meester in de rechten en later gemeente secretaris in Roermond en vervolgens in Den Bosch. In de laatste hoedanigheid is er ooit indirect contact geweest toen een student van mij bij hem stage bleek te lopen. Tot een nadere kennismaking is het helaas niet gekomen. Ik gedenk Piet als een superritselaar die die kwaliteit al vroeg bezat. Ik weet niets van hem als gemeentesecretaris, maar naar mijn ervaring was een dergelijke positie op zijn lijf geschreven. Een korte exercitie op internet leert me dat hij zich later ’Peter’ noemde, dat er in Den Bosch een plakette onthuld is te zijner nagedachtenis, dat hij de “minzame Lansbergen” wordt genoemd en “een groot bestuursman”. Ik heb me degelijk laten adviseren, daar bij de Shell pomp. Niet zomaar door ‘Pietje Lansbergen’ die banketbakker zou worden, maar door Peter Lansbergen, een groot bestuursman. Ik ben hem dankbaar.

Even later stond ik daar, in het verre Zundert in een volstrekt vreemde wereld van allemaal jongens uit heel Nederland die mijn dialect niet eens verstonden. Nooit heb ik mijn belevenissen beter beschreven gezien als in De kleine republiek van Lodewijk van Deijssel: de eenzaamheid, de massaliteit, de competitie, het pesten, het gregoriaans, het ‘gebielebang’ van de klok. Een merkwaardige mengeling van ongelijksoortige belevenissen en gevoelens. Ik had een moeilijke start, maar na verloop van jaren voelde ik me thuis en op mijn gemak. Aan de leraren van Wernhoutsburg, het kleinseminarie van de heren (geen paters!) Lazaristen, heb ik dierbare herinneringen. Het seminarie groeide uit tot een erkend gymnasium en ik heb ik heb er veel aan te danken: behalve de opleiding een levenslange interesse voor klassieke muziek, gregoriaans, Franse literatuur en op een bepaalde dag ook Dante. Het was hetzelfde seminarie waar ook Mathieu Smets, een dorp verder dan ik geboren en later hoofdredacteur van Vrij Nederland, zijn jonge jaren doorbracht. Zijn ervaringen een paar decennia eerder, weergegeven in zijn autobiografie Een weerbarstig katholiek, kan ik volledig onderschrijven. Ernest Renan Souvenirs d’enfance et de jeunesse 1883, zie afscheidsrede

Na het kleinseminarie volgde september 1964 het grootseminarie in Eefde (Gelderland). Ik heb die stap vanzelfsprekend, maar zonder innerlijke overtuiging gezet. De vakantie naar Spanje en Portugal had me uit het gewone leven getild en was me goed bevallen. Het seminarie Eefde was voor mij weinig inspirerend, intellectueel en spiritueel. Dat ik het er anderhalf jaar uitgehouden heb, komt doordat me veel mogelijkheden geboden werden naast de gewone studie - saai en niet uitdagend, met enkele uitzonderingen (de logica-cursus van Wim van der Velde en de Plotinos-cursus van Jan Plat) - eigen plannen te ontwikkelen. Mijn dierbare dorpsgenoot broeder Dorus die op bel moest passen ging voor mij tuinieren, een tak van sport die ik niet beheerste en nog steeds niet, maar waarin ik mij ter bevordering van mijn nederigheid behoorde te bekwamen. Zo lette ik op de bel en verdiepte me in wachtkamer in de grondbeginselen van de ontwikkelingspsychologie. Ik vond het een saai en pedant vak. Rumkes boekje Geloof en ongeloof maakte het alleen maar erger. Op dag begon ik ter afwisseling aan het boek Moderne sociologie van Van Doorn en Lammers. Ik las het met rode oren, met een driekleurenpen onderlijnend wat ik van belang achtte: het boek is bont en blauw. Ik schreef vervolgens een scriptie met de veelzeggend titel Zal er ooit vrede op aarde komen?? Ik was een Kennedy-adept van het eerste uur en in die dagen verscheen de encycliek Pacem in terris van Johannes XXIII. Maar ik probeerde bovendal tot een nuchtere analyse te komen en gebruikte daarvoor de theorie over het institutionaliseringproces uit Van Doorn en Lammers. Hun rationele en empirisch geörienteerde benadering van verschijnselen en processen waarover ik vooral in filosofische en beschouwende zin onderwezen was, trok me zeer aan. De scriptie is bewaard gebleven. Het is voor mij een markerend moment en het was vanzelfsprekend dat ik, toen ik me eenmaal ontworsteld had aan de knellende omgeving van het grootseminarie, sociologie ging studeren in Nijmegen.

Ergens in juni 1966 ging ik op weg naar Nijmegen. Ik had een afspraak met de studentendecaan, mevrouw Van Driel. Ik werd ontvangen als een weledelgeboren heer, in de kamer waar vandaag de dag de collegevoorzitter domicilie houdt. Ik heb me nooit zo belangrijk gevoeld. Ik ging STUDEREN, ik werd STUDENT, de universiteit was bijzonder en ik nog meer. Ik groeide ter plekke en heb de emancipatie die dag aan den lijve ervaren. Na afloop liep ik door de zonnige Van Peltlaan op weg naar mijn vriend Marius Poels. Hij had meteen voor sociologie gekozen en was me dus twee jaar voor. Hij was al student! Na een lange tocht, ik wist niet dat er zulke lange straten bestonden en hij bleek aan het einde te wonen, trof ik hem achter zijn bureau: ernstig, studerend, bedachtzaam lurkend aan het korte pijpje dat in die tijd zo en vogue was. Het bureau stond tegen de muur, erboven het korenveld met kraaien van Van Gogh. Dat zou ook mijn wereld moeten worden, maar ik voelde me er nog ver van verwijderd. Dat het om belangrijke kwesties ging en een ernstige zaak was, dat begreep ik terstond en terplekke. In september begon de studie en ik meldde me aan bij het corpsdispuut B.R.I.L. (bonum est ridere in loco) waar ook Marius bij aangesloten was. Ik had een kamer in Berg en Dal en ook een bureau tegen de muur, met een kaart van de wereld erboven. Voorlopig fietste ik dagenlang in de vroege ochtend van de stad naar mijn kamer, de mensen tegemoet die naar de stad gingen om er te werken. Het was een heftige tijd maar in die tijd en via het dispuut heb ik iedereen leren kennen met wie ik mijn studietijd heb doorgebracht. Voor het eerste dispuutsfeest had ik Wil van Gageldonk uitgenodigd, een vriendin van mijn zus. Ik had een vage maar blijvende herinnering aan haar omdat ze samen met mijn zus op het station in Venlo was toen ik daar september 1964 de trein naar Eefde nam. Van dat moment bestaat zelfs een foto die ik, met vooruitziende blik, van haar gemaakt heb. Het werd een liefde voor het leven, dat we sinds 1966 toen zij naar Nijmegen verhuisde samen delen. Met Marius heb ik in mijn studietijd veel opgetrokken maar onze interesses en feitelijke plannen liepen steeds verder uiteen. Ik heb hem jaren later nog een keer ontmoet toen mijn zoon een opleiding volgde waar hij lesgaf. Hij was dezelfde. Het was onze laatste ontmoeting. Hij overleed korte tijd later, plotseling, te jong. Ik gedenk hem in vriendschap.

Ik had de zaakjes goed op orde en de studie verliep snel en vlekkeloos. Mijn enige probleem was de militaire dienst die als een zwaard van Damocles boven me hing. Snel studeren, goed presteren was het motto. Maar ook dat zou niet voldoende zijn geweest als Jan Maenen, KVP politicus uit Brunssum, het niet voor me opgenomen had. Mijn vader, ook actief in de KVP, had een bezoek aan hem voor me geregeld. Maenen, in die tijd een gegrip in Limburg en omstreken, slaagde er vervolgens in me jaar na jaar te verlossen van de eerste oproep. Al deze beslommeringen- de liefde, de studie, de militaire dienst - en ook mijn leeftijd maakten me weinig gevoelig voor de generatie die in de jaren zestig de dienst uitmaakte. De popmuziek had nauwelijks mijn belangstelling en de studentenbeweging deed me in zijn idealisme en bevlogenheid soms denken aan het seminarie. Dat had ik al achter de rug. Ik was meer een empirische mood en met enkele medestudenten zetten we een groots empirisch sociologisch project op waarin de democratie van onderwijs en gezondheidszorg centraal stond. Ik koos voor het laatste traject en begaf me op het hoogtepunt van de opstand naar Zuid Limburg om de problematiek die het gevolg was van de sluiting van de mijnen te bestuderen. Het werd een indrukwekkend afstudeerproject dat in kloeke boeken beschreven werd. Ik was inmiddels getrouwd (1969) en ons eerste kind (Maud) werd geboren op 31 december 1970. Ik studeerde zeer snel, maar het omvangrijke project leidde tot vertraging ik studeerde af op 3 maart 1972, de dag waarop onze tweede dochter (Irma) geboren werd. Het was dubbel cum laude en groot feest. Kort daarop vertrok ik naar militaire dienst.

Prof. Marian Albinsky, bij wie ik studentassistent was geweest, slaagde er op dat moment niet in me een plek op de universiteit te geven maar hij had als oud-militair connecties met de luchtmacht (de generaal Snijders). Ik zou de democratisering van de Luchtmacht gaan bestuderen en daar dan bij Marian op promoveren. Toch wel luchtfietsen zo bleek later. Maar bij gebrek aan beter nog steeds een mooi plan, al ik zie nog steeds mijn vrouw en de twee kinderen op de balustrade van onze flat in Neerbosch staan terwijl ik in mijn Opeltje op weg ga naar Gilzerijen. Zo werd ik reserve officier academisch gevormd (ROAG). Een periode met mixed feelings maar wel de periode waarin ik op de luchtmachtstaf en op het ministerie van defensie maatschappelijke ervaring heb opgedaan. Ik heb verschillende onderzoeken gedaan, in de analyse-fase vaak thuis en dat mocht als ik maar presteerde. Mijn baas Wim Bunnink, later SG op defensie, was een van de vele mensen met wie ik in die tijd met plezier heb samengewerkt. Het was een open en amicale sfeer waaraan ook de latere bisschop Bär, die daar ergens weldoende rondliep en met ons een biertje dronk, bijdroeg. Ik werkte hard en ging wekelijks op en neer naar Den Haag (eerste klas!) en las in de trein een grote stapel boeken, ondermeer de Groots Methodologie, een boeiende en bijna mystieke beschrijving van de empirische cyclus. In Den Haag onderzocht ik intussen de carrière van kolonels en het leef- en werkklimaat van de korporaal. Ik heb die onderzoekingen in colleges jarenlang gebruikt om aan te geven hoe het onderwerp vaak de vraagstelling opdringt: een onderzoek naar de carrière van de korporaal, c.q. het leef- en werkklimaat van de kolonel is nauwelijks denkbaar. Ooit ben ik nog eerste luitenant geworden en daarna heb ik me door hare majesteit laten bedanken voor de bewezen diensten.

Tijdens de militaire dienst bevond ik me tussen psychologen. Aan het einde van de dienst kwam Bert Felling, kort daarop hoogleraar methoden en technieken en netwerker pur sang, met een ZWO-project (vandaag de dag NWO geheten) bij cultuurpsychologie in Nijmegen. Ik had al een aanstelling bij het ITS (Instituut voor Toegepaste Sociologie) op zak, maar uit inhoudelijke interesse koos ik voor het ZWO-project. Bij het ITS zou ik onderzoek gaan doen naar het functioneren van kleine ondernemingsraden en naar het gebruik van fietspaden. Nu had ik al onderzoek gedaan naar het basisoverlegorgaan in de luchtmacht en heb ik en enorme hekel aan twee keer hetzelfde. Met fietspaden had ik niets, tenzij op de fiets. Bij Psychologie betrof het een onderzoek naar problemen van jongeren. Daar voelde ik me meer toe aangetrokken. Ik had een ernstig vak geleerd, dat over sociale problemen ging. Ik zou op het jongerenonderzoek bovendien kunnen promoveren. Nu leek me dat bijna ondenkbaar, niet eens alle professoren waren toentertijd gepromoveerd. Gewoon beginnen maar. Ik verdiepte me in eerste instantie in jeugd en jongeren, vooral via het symbolisch interactionisme en met name las ik over drugsgebruik (How to become an marihuana user?). Om me heen woedde een Nijmeegse studentenopstand zonder weerga, een typisch Nijmeegse naschok van de beweging uit ‘68 en ‘69. Ik bezocht massameetings en gold voor iedereen als student. Mijn lange haren, die de militaire dienst overleefd hadden, en mijn jongensachtige uiterlijk verschaften me een afdoende camouflage als participerend observator. Na korte tijd spitste ik het onderzoek toe op de studentenbeweging. Er werden enquêtes uitgezet en de eerste resultaten konden al snel geboekt worden. Na een jaar werd het tussentijdsverslag gehonoreerd met een zogenaamde poolplaats, door een commissie onder voorzitterschap van Pim Levelt. Nu kon mijn collega Paul Voestermans, die het project geschreven had maar die een plaats als wetenschappelijk medewerker had kunnen krijgen, fulltime participeren in het onderzoek. In feite werkte hij er al dagelijks aan. Op de hem kenmerkende, genereuze wijze dacht hij mee en hij was en ware steun en toeverlaat. Dat onze werkwijzen zeer verschillend waren - hij verzamelend, ik onderzoekend; hij centrifugaal met een brede blik, ik centripetaal me concentrerend op het onderwerp van studie; hij theoretisch en bevlogen, ik meer empirisch en bedachtzaam - was voorlopig geen probleem. Het was een periode van hard werken, te hard werken en ik herinner me nog de Koninginnedag die ik op zolder doorbracht, terwijl vrouw en kinderen - inmiddels waren het er drie: Bram was geboren op 3 juni 1976 - in de zonnige tuin zaten. Ik ben er niet trots op, maar het is exemplarisch. Ik voel me nergens beter op mijn gemak dan achter mijn bureau. Het moet in die periode ontstaan zijn en of er iets tegen te doen geweest zou zijn weet ik eigenlijk niet. Op een bepaald moment is het ongeneeslijk. Pas in vakanties kon ik mijn promotiewerk loslaten en de herinnering daaraan koester ik, als een verslaafde die terugdenkt aan een cleane tussenperiode. Met Paul Voestermans promoveerde ik op 19 december 1978, onder grote belangstelling en met veel publiciteit. Er verscheen een reeks van artikelen en ik herinner me met name de prent van Wibo in de Volkskrant. We kwamen voor de radio, met name de VPRO. Daarvan is me altijd de eerste ontmoeting met Annemarie Grewel bijgebleven. Ze zat een sjekkie te rollen achter de bar. Ik dacht ze bij de schoonmaakploeg hoorde. Een kwartier later wist ik wel beter en veegde ze mij de mantel uit. Zij was voorzitter van de Amsterdamse universiteitsraad en wie waren wij dan eigenlijk wel. Onze promotores, Otto Schreuder en Bert Felling, stelden ons aan de academische natie ten voorbeeld. Het was mogelijk gebleken ongeveer binnen de projecttijd te promoveren. Het beoogde junior-beleid, dat Schreuder als faculteitsvoorzitter bepleitte, was empirisch haalbaar. Het was de eerste stap op weg naar nieuwe universitaire verhoudingen. Maar for the time being was de universiteit nog altijd de oude, vertrouwde universiteit en onze promotores gedroegen zich als klassieke hoogleraren. Tijdens het promotieonderzoek herinner ik me zegge en schrijve 1 brief van Schreuder met wijze raadgevingen. Het eerste gesprek vond plaats toen het manuscript klaar was. Een hele dag hebben we met beide promotores, Bert felling was inmiddeld toegetreden, in het Hamerhuis overlegd en honderden opmerkingen waren aan de tekst toegevoegd. We deden er ons voordeel mee en dat was dat. Van een continue begeleiding zoals die tegenwoordig gebruikelijk is, was geen sprake. Wie wilde promoveren moest het zelf uitzoeken en ik heb iemand ooit horen zeggen dat dat nu juist het bewijs was dat je in staat zou zijn op universitair niveau te presteren. De inhoud van het proefschrift deed er niet zo toe, maar het feit dat je het voor elkaar gekregen had. Dat de universiteit nog steeds de aloude was, bleek ook uit het feit dat je als medewerker - en door het vertrek van een collega was ook voor mij een vaste aanstelling weggelegd - kon doen en laten wat je wilde. Als ik ’s morgens met mijn werk begon, ging ik studeren, in dikke boeken. Ik heb er heel wat gelezen en uit die stapel zullen de Azande studie van Evans-Pritchard en de Formes élémentaires de la vie réligieuse van Emile Durkheim me altijd bijblijven als zeldzame hoogtepunten van eruditie en schrijverschap. Durkheims boek heb ik uitvoerig samengevat (..) en in vele publicaties keert hij terug (met name …), niet zozeer als de grondlegger van de sociologie maar eerder als grondlegger van een cultuurpsychologie. Ik heb er talloze college-uren aan besteed. Durkheims boek verdient een Nederlandse vertaling en ik zal niet rusten voordat die er is. Behalve dat ik dikke boeken las, schreef ik enkele artikelen, vooral in het Nederlands. Er was geen publicatiedruk en Nederlandstalige artikelen stonden nog in aanzien. Door die publicaties werd ik uitgenodigd voor de redactie van het blad Jeugd en Samenleving. Dat was een hele eer, want de grote professor Han Fortmann, de godfather van de cultuur- en godsdienstpsychologie, was eens hoofdredacteur van DUX, de voorloper van dat blad. Hoofdredacteur Lène Dresen was me op het spoor gekomen en ze ws gecharmeerd van mijn stijl. Ik ben haar zeer erkentelijk: Jeugd en Samenleving heeft mijn leven verrijkt en mijn boek over jeugdcultuur (…), dat ik mijn beste publicatie vindt, komt er uit voort. Een kleine anekdote kan dan geen kwaad. Ooit stimuleerde Lene mij en Paul Voestermans een recensie te schrijven over een NISSO onderzoek naar de sexualiteit van jongeren. We vonden en maar niks en leefde ons uit in pejoratieve superlatieven, van het soort dat-wordt-niks-zo (NISSO). Lène vond het fantastisch, maar ik wist toen niet dat ze was teruggetreden uit de begeleidende commissie. Ze had van onze jeugdige overmoed dankbaar gebruik gemaakt. Ik denk er toch nog enigszins beschaamd aan terug en biedt de onderzoeker bij deze mijn excuses aan voor bepaalde passages. Het was een slecht onderzoek, maar je kunt dat diplomatieker vertellen en een beginnend onderzoeker kun je er niet op afrekenen. Ik heb vele jaren met plezier gewerkt bij Jeugd en Samenleving, in redactie en bestuur: fantastische mensen, stimulerende gesprekken in een tijd dat alles kon en de academicus vrij als een vogeltje door het zwerk fladderde. We werden gefinancierd door het ministerie van CRM en hadden daar een volmaakte haat-liefde verhouding mee. In het bestuur was CRM vertegenwoordigd door Siem Rijpma, ambtenaar op en top. Op een dag probeerde hij een verdediging van de bezuinigingen op het jeugdwelzijnswerk, bijeengeschreven voor een lezing in Friesland, geplaatst te krijgen in het blad. No way was de unanieme reactie van de redactie, tenzij met een weerwoord. En ik mocht het Siem gaan uitleggen. Ik had al wat zinnen klaar voor het weerwoord, ondermeer een Vondel citaat: “Men bezight amptenaers, doch magh ’er niet op bouwen” (Zunchin 1667). Tijdens een etentje in motel Maarsbergen heb ik het Siem uitgelegd. Al bij het voorgerecht waren we het erover eens dat zijn artikel beter niet kon verschijnen en rest van de maaltijden hebben we elkaars leven aan elkaar uitgelegd. Twee totaal verschillende werelden in gesprek: Hij uit socialistische hoek en een belangrijk man in de IVN, ik van katholieken huize. Ik heb er vriendschap en waardering aan overgehouden en Siem, die ook veel te vroeg en plotseling overleed, is me dierbaar gebleven (ter nagedachtenis schreef ik Die typische glimlach).

Terwijl het vrije leven, waarin trouwens hard gewerkt werd, schitterde, betrok de lucht op de universiteit. Niet geleidelijk, maar van de ene dag op de andere, exact vanaf de maandag waarop de zogenaamde programfinanciering werd ingevoerd. Vanaf die dag heb ik op de universiteit nooit meer een boek gelezen, maar eerst artikelen en vervolgens voornamelijk abstracts. Ik heb mij in die nieuwe wereld staande gehouden maar enigszins verkrampt en nooit helemaal van harte. Het onderzoek naar rechtsextreme jongeren, dat ik samen met Louk Hagendoorn deed, leverde veel publicaties en publiciteit op: alle kranten en tijdschriften spraken erover, we zaten een uur bij Koos Postema, kregen een pagina in de New York Times, maar achteraf gezien stak het aantal internationale publicaties daar pover bij af.

Inmiddels, zeker na het vertrek van Louk, verschoof mijn belangstelling - ook noodgedwongen, maar dat laat hier maar zitten - van de politieke psychologie naar de godsdienstpsychologie. Het was het begin van een jarenlange samenwerking met Willem Berger en Jan van der Lans, twee collega’s die vrienden werden. Inmiddels zijn beiden overleden. Willem op hoge leeftijd (2007), Jan te jong (2002). Ik heb ze beiden herdacht in publicaties (Jan in 2006 en Willem in 2008). De vele discussies die ik met hen gevoerd heb over religie en de katholieke variant daarvan draag ik met me mee. In dat kader gedenk ik ook Jan Roes die plotseling overleed in 2003. Regelmatig heb ik hem bezocht in het Katholiek Documentatie Centrum en we hebben uren gepraat zonder agenda maar vanuit gedeelde ervaringen. We deelden onze eerbied voor het verleden en ons verlangen naar een nieuwe toekomst. In Jan’s inaugurele rede In de kerk geboren uit 1994, komen zijn biografie en de geschiedenis samen. Het was een magistrale rede die veel indruk gemaakt heeft.

Religie had me altijd wel geïnteresseerd of minstens gebiologeerd. Voor mezelf had ik er eigenlijk mee afgerekend, als verschijnsel bleef het me boeien. Maar wie met pek omgaat… Zo gebeurde het ook mij. Ik kwam geleidelijk tot de vaststelling dat ik, voor wat ik sinds mijn religieuze jeugd verloren had, geen alternatief gevonden had. De verwatering van de PvdA na het vertrek van Joop den Uyl, voor wie ik een grote bewondering had (zie een klein artikeltje in Jeugd en Samenleving’) deed me ontwaken in een spirituele woestijn. Op een dag kocht ik op de markt in Hatert voor 1 gulden een Liber usualis, het boek waaruit ik in mijn seminarietijd gezongen had. Ik ben bandjes en lp’s gaan verzamelen en vond een oude liefde terug. Samen met mijn collega en vriend Joep de Hart, met wie ik in die tijd wekelijks in Vondel las, heb ik in 1985 de stap gewaagd naar het Dukenburgs Gregoriaans Mannenkoor. De vlag bleek de lading geheel te dekken en toch was het thuiskomen voor mij. Ik ben veel dank verschuldigd aan de dirigent Stan Hollaardt. Via hem ben ik in 1988 toegetreden tot de Schola Cantorum Karolus Magnus en na mijn pensioen zal ik het Dukenburgse koor weer versterken, want ze zingen nog steeds die (oude) mannen. Ze vergrijzen wel, maar er komt geregeld nieuw grijs bij, waarmee ik de vergrijzing als maatschappelijk verschijnselen meen gerelativeerd te hebben, zeker nu ik zelf toetreedt tot deze illustere doelgroep. Ouderen hebben een interessante taak in onze samenleving, juist omdat ze vrij zijn van productiedwang. Ik ben van plan er optimaal gebruik van te maken.

Ben ik nou dus (weer) katholiek? De buitenstaander zal zeggen: ‘volledig en rooms bovendien’. De wierook slaat ervan af. Ik betaal kerkbijdrage bovendien. Maar de inquisiteur zal me verbranden, met huid en haar. Ik had de middeleeuwen niet gehaald en noem mezelf graag ‘prakkiserend katholiek’. Vooral als ik kritiek heb op het katholieke gezag - en daar kan ik uren over vertellen, maar nut heeft het niet - merk ik hoe katholiek ik eigenlijk ben. In die wereld ben ik thuis, weet ik namen en plaatsen, talloze dierbaar, niet weinige afschrikwekkend. Die wereld is zo groot in ruimte en tijd en biedt zovele woningen. Het is mijn wereld, maar ik blijf er kritisch bij. Alhoewel ik zijn aandoenlijke vroomheid mis - hij bidt elke dag de rozenkrans - zie ik gelijkenis met Garry Wills, de befaamde katholieke Amerikaanse historicus. Zijn boek Papal sin zou me in mij jonge jaren definitief tot het besluit hebben gebracht dat een weldenkend mens nooit katholiek kan zijn. Het is een messcherpe, kennissociologische analyse van het misbruik van geestelijke macht. Macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut, aldus Lord Acton, ook al katholiek en Will’s grote voorbeeld, in een reactie op de pauselijke onfeilbaarheid. Wills’ analyse zoekt het niet in aansprekende voorbeelden van machtsmisbruik - dat doen talloze boeken - maar hij analyseert het systematische karakter ervan. Dat zit, zoals de ondertitel zegt, in de ‘structures of deceit’, in de minachting voor de waarheid. Tot de waarheid, zo houdt Wills ons voor verwijzend naar Augustinus, zijn wij allen geroepen. En de waarheid zal overwinnen. Na elke periode komt een nieuwe en de Italiaanse gewoonte om bij kritiek op de paus vooral te praten over de volgende paus, past me inmiddels wel. Ik hoop het nog mee te maken: paus Obama. Voorlopig, met name sinds paus Benedictus, voel ik mij met Garry Wills poped-out, ‘uitgepaust’. Er zijn interessantere en belangrijkere onderwerpen.

Hoezeer de katholieke wereld mijn wereld is, al zoek ik daar mijn eigen weg in, werd me duidelijk toen ik door een toeval en nu voorgoed weer met Dante in aanraking kwam. Ik heb het verhaal verteld in de inleiding bij mijn vertaling. Het klopt niet helemaal. Niet op het kleinseminarie maar op het groot seminarie, juist in een tijd van intellectuele droogte, ben ik op deze bron gestoten. Meneer Donders, van wie ik de liefde voor de Franse taal, de Gregoriaans zang en Dantes poëzie geërfd heb, verving op een meidag in 1965 (een Dante-jaar besefte ik vele jaren later) de docent kerkelijk recht. Dat was al winst sowieso, al heb ik later van Rik Torfs begrepen hoe interessant en amusant het kerkelijke recht kan zijn. Hoe het zij, meneer Donders heeft me die dag een vergezicht geboden dat ik nooit meer vergeten ben, al duurde het bijna dertig jaar voordat ik er echt mee aan de slag ging. Romano Guardini vertelt iets vergelijkbaars: terwijl de liefde voor Dante al op jonge leeftijd gewekt was, ging hij er zich pas decennia later in verdiepen. Blijkbaar is een langdurige rijping noodzakelijk. En het toeval helpt een handje. Bij mij kwam het via een antiquariaat waarin ik Dantes boeken ontdekte. Met een Kramers woordenboek ben ik ze te lijf gegaan. Voorlopig weinig succesvol, met vallen en opstaan. Toen de KRO, ik was inmiddels lid van de Programma Advies Raad, Dantes Komedie wilde laten voorlezen voor de radio maar de beschikbare vertalingen niet geschikt achtte, ben ik op een avond zelf begonnen. Doorwerkend tot diep in de nacht was het eerste canto klaar. Eitje. Maar ik had geen idee waaraan ik begon en dat heeft me gered. Maar bovenal waren het de kritische maar stimulerende commentaren van Louis ter Steeg die me de moed gaven door te gaan. Louis heeft jaren in Italië gewoond en bezat een eruditie en fijnzinnigheid waar weinig mensen op kunnen bogen. Nu ook hij, en ook hij te jong (2007), overleden is, bewaar ik zijn brieven met eerbied. Hij was een dierbare vriend die mij in mijn zoektochten steunde en richting gaf zonder enige opdringerigheid of aandrang. Na enkele jaren doorwerken lag er een vertaling van de hel die de toets van de kritiek goed doorstaan heeft en die voor mijzelf een wereld geopend heeft van ongekende schoonheid en diepte. Mijn leven zal te kort zijn om die te peilen.

Ons persoonlijke leven verloopt in al die jaren voorspoedig. De kinderen bezoeken de middelbare school, we brengen mooie vacanties door in Frankrijk. Dan is er plotseling toch sprake van een crisis. Onze oudste dochter, Maud, vermagert in ras tempo en na enkele maanden is de diagnose anorexia nervosa. Het is schrikken voor haar en voor ons allemaal. Een jaar lang gaat het slechter en slechter. Ze houdt minitieus een dagboek bij en leeft in haar eigen wereld. Onlangs heeft ze haar ervaringen gepubliceerd (Meisje met anorexia). Het was een ervaring die je niemand toewenst maar die ook leerzaam en heilzaam was. We hopen allemaal dat anderen er hun voordeel mee zullen doen.

Dan vliegen de meisjes geleidelijk uit, maar er vliegt ook een kind binnen. In 1989 wordt ons gezin uitgebreid met de komst van neef Maarten en zo vormen we een gezin met twee jongens. Eindelijk zijn de jongens in de meerderheid. Mijn vrouw gaat weer buitenhuis aan het werk. Terwijl ze is opgeleid voor de verpleging van zeer kleine kinderen, met name couveuse kinderen, verzorgt ze vanaf 1990 in huize Joachim en Anna oude, zieke en ook demente bejaarden. Een paar jaar zijn we weer met zijn tweeen, de vogels zijn gevlogen. Mijn ouders bereiken inmiddels een zeer hoge leeftijd en we leven met hen van feest naar feest. Het meest gedenkwaardig was de vijftigjarige bruiloft in 1993 (Feestgids).

Rond deze tijd ben ik begonnen met het vertalen van de hel van Dante. Het was in een tijd van grote spanningen op mijn werk. Ik vertaalde altijd in de avonduren, tot in de nacht. Mijn vrouw werkte in die tijd vaak ’s nachts, waarmee ik niet wil beweren dat zij niets gemerkt heeft. Het was eigenlijk drie jaar lang Koninginnedag. Terwijl ik overdag op de vakgroep werkte, functioneerde het vertalen als een vorm van overleven. Ik ontdekte hoe fantastisch het is in de huid van een ander te kruipen en woord voor woord, zin voor zin zijn wereld in te gaan. Ik had dat met Shakespeare ook jarenlang gehad en zo ongeveer alle Arden pockets gelezen. Maar terwijl Shakespeare verscholen gaat in de coulissen van zijn toneelstukken, leerde ik nu iemand persoonlijk kennen: Dante is de schrijver én de hoofdpersoon. Je komt hem echt tegen. Vertalen is niet zomaar het omzetten van woorden, vertalen is een vorm van interculturele communicatie en hoe moeilijker dat is des te groter is de voldoening als het lukt contact te krijgen. En zo ontsnapte ik aan de dagelijkse werkelijkheid, al was ik nuchter genoeg om een poging te wagen hoogleraar cultuur- en godsdienstpsychologie te worden. Mijn publicaties waren nipt op peil. De commissie was verdeeld. Toen ik eenmaal benoemd was, bleef ik alleen achter, erfgenaam van een vakgroep die ooit de complete negende verdieping van het Spinoza gebouw bezet had. Vanaf september 2000 heb ik geprobeerd de vakgroep nieuw leven in te blazen. Er moesten voorzieningen getroffen worden voor studenten die niet de dupe mochten worden van recente verwikkelingen, er moest worden nagedacht over een nieuwe toekomst. Er waren weinig middelen. Met Rien van Uden, Cor van Halen en Maerten Prins bleef het onderwijs op peil. Mijn voorganger Jan van der Lans en de oud-medewerker Stijn van der Linden versterkten de gelederen pro deo. We kregen positieve kritiek uit onverdacht hoek op ons studieprogramma. De collega’s bij psychologie ben ik dankbaar voor hun niet aflatende steun en waardering. Ik heb die als welgemeend ervaren, ook al bleef die in de middelensfeer beperkt. Vooral het weer tot leven brengen van het onderzoek bleek een zware taak. Vlak voor mijn aantreden was het lopende onderzoeksprogramma Cultuur- en Godsdienstpsychologie negatief beoordeeld. Ik zocht een oplossing door samen te werken met Persoonlijkheidsleer en Psychogerontologie. Het accent werd daarbij gelegd op de cultuurpsychologie en in het boek The dialogical self van Bert Hermans en Harry Kempen, oud-medewerker van onze sectie en in 19.. door een tragisch ongeval overleden, zag ik een nieuw perspectief. Het teleurstellende traject waarin die veelbelovende koers me bracht, biedt voldoende stof voor een kleine bureau-cyclus. Ik heb me in die dagen suf gepraat, maar doe er nu even het zwijgen toe. Samenwerking bleek niet mogelijk in welke vorm dan ook en wat de betrokkenen ook probeerden, het werd afgewezen. Het tweede jaar was tragisch bovendien: Jan en Stijn werden in juli 2001 ziek en zijn een jaar later, juli 2002, op dezelfde dag begraven.

Maar het leek wel dat elke mislukking weer nieuwe en betere mogelijkheden opleverde. In gesprekken met enkele jongere collega’s die toekomst gericht en cooperatief denken, ontstonden nieuwe perspectieven. Die werden scherper toen mijn godsdienstpsychologische onderzoekslijn in december 2005 een tweetal fraaie, externe subsidies opleverde. De basis was gelegd voor een nieuw onderzoeksprogramma Culture and Cognition, dat binnen het grotere kader van het programma Social Cognition een plaats kreeg in het Behavioural Science Institute. Er werd een nieuwe medewerker aangetrokken, Hein van Schie, die inmiddels op volle sterkte opstoomt naar de toekomst. Verdere benoemingen zullen volgen. Op de dag van mijn afscheid, 27 maart 2009, zullen we het nieuwe programma tijdens een symposium presenteren en nader toelichten. Het accent ligt op cultuur, met de aantekening dat varianten van religie en levensbschouwing onlosmakelijk onderdeel zijn van elke cultuur. Het accent ligt bovendien op experimenteel, cognitief-psychologisch onderzoek. We gaan terug naar de grondlegger van de psychologie, William James. Dat is al bij al een forse koerwijziging, maar er is een link met het verleden, een link die ik in mijn inaugurale rede in 2001 gelegd heb, maar waarvan ik toen niet durfde hopen dat die zo stevig zou zijn.

Voorlopig eindigt hier mijn biografie. Ik heb door de jaren heen vele goede vrienden verloren, bovendien overleden in 2006 en 2007 mijn moeder en mijn schoonvader, beiden op zeer hoge leeftijd, respectievelijk 94 en 93 jaar oud. September 2008 overleed mijn beste vriend, mijn vader, 92 jaar oud. Het lijkt wel of ik vooral tussen de doden leef. Maar dat is niet het geval. Ik moet denken aan de psalm Placebo Domino, de eerste psalm die in de katholieke liturgie bij het overlijden gezongen wordt. De tekst gaat verder met de woorden: in regione vivorum. Met andere woorden: juist in de confrontatie met de dood “zal ik de Heer loven in het land der levenden”. En daar bevind ik me, volop, te midden van zeer velen, die nu niet ga opnoemen. Ik volsta met mijn kleinkinderen: Marieke, Emma, Iris, Martijn, Bas, Mare en Tobias. Zolang ik hun opa ben - door de Amsterdammertjes onder hen bij voorkeur ´oop´ of ´oops´genoemd - zijn zij het springlevende en veelbelovende bewijs van mijn aanwezigheid.

 

Powered by WordPress with a theme based on Borja Fernandez' Pool theme. Design by Twan Goosen.
Entries and comments feeds. Valid XHTML and CSS. ^Top^